‘pre-fab-fantasie’

essay nr. 6

pre-fab-fantasie

‘To create, one must first question everything” – Eileen Gray.

Een steeds vaker gehoorde mening: we missen de zo noodzakelijke verbeeldingskracht, de fantasie om ons een andere wereld, met een meer sociale samenleving voor te stellen omdat we vast (willen) houden aan het gekende en het vertrouwde. Volgens sommige definities is de betekenis van het begrip ‘fantasie’ iets dat gebaseerd is op verbeeldingskracht, iets wat je bedenkt terwijl het niet bestaat. Sommige industrieën betrokken bij onze huisvesting blijven hardnekkig geloven dat een abstract gegeven – i.e. wonen – uitsluitend kan en moet worden omgezet in een harde, fysieke realiteit; kortom, dat alleen proces-innovatie voldoende gewicht in de schaal legt om het onhaalbare in tastbare werkelijkheid te vertalen. Ik doel op een belangrijk thema in de discussie rond ons woningbouw- (lees huisvestings-) vraagstuk: de moeizame economische en wellicht zelfs culturele stand van zaken m.b.t. de vraag naar, en bouw van prefab-woningen. Betrokken productie-bedrijven dreigen te bezwijken onder investeringen en kosten die niet langer in verhouding staan tot de gevraagde en gerealiseerde productstroom; halve fabrieken staan leeg, werknemers kijken werkloos toe. Dit alles terwijl de situatie vraagt om meer opties voor variabele/flexibele huisvesting, snellere procedures, minder bureaucratie en regelgeving.
De belangrijkste vraag in deze wordt echter niet gesteld, laat staan beantwoord: in hoeverre is prefab-woningbouw het antwoord, in een tijd van schaarste en de noodzaak onze huisvesting fundamenteel anders te benaderen, te ontwerpen en uit te werken.

Lees verder

‘Earth Moves’

‘The causes of life always escape us, which is why we can only provide niches in which it can take place. (..) Architectural space is not the general form of simultaneity; it is a space where coexistence is not a fundamental given, but rather the uncertain outcome of processes of separation and partitioning.’

Bernard Cache, ‘Earth Moves’. MIT Publ. 1995

megalomania

essays , nr.5

megalomania

In 2009 vond in Wenen een fascinerende tentoonstelling plaats: ‘Modernism as a Ruin. An Archaeology of the Present”; niet alleen een her-denken van modernistische ideeën en plannen welke als doel hadden een meer humane samenleving te bewerkstelligen, maar bovenal het bevragen van de status van deze – vaak vermeende – utopia. Opvallend genoeg waren meerdere getoonde/besproken projecten (werk van o.a. Gordon Matta-Clark, Robert Smithson, Rob Voerman) in hun achtergrond en opzet visionair: als voorbeeld mag het werk van Yona Friedman worden genoemd. Zijn ‘Ville Spatiale’-modellen uit 1959 zijn ontworpen op basis van uitgangspunten en aannames (in Friedman’s woorden ‘grand illusions’) die nu opnieuw – of nog altijd – van groot belang blijken.
Deze aandacht lijkt opnieuw gerechtvaardigd nu, na nog altijd veel scepsis en kritiek een opzienbarende visie in het Midden-Oosten voorbij de schetsfase en tekentafel is gekomen. Daarnaast; ook in ons land verschijnen regelmatig studies voor een samenleving en inrichting die verwachte ontwikkelingen uitwerkt tot soms futuristische – utopische? – beelden waarbij de terugkerende vraag is: wat is haalbaar; hoever vooruit willen/kunnen we denken?
Is het een megalomaan experiment, een futuristische ingreep in het barre woestijnlandschap, een fascinerende visie op een toekomstige samenleving of een bijna letterlijke streep door de menselijkheid? Voor wie denkt dat project ‘The Line’ in het uiterste noordwesten van Saudi Arabië slechts een abstracte utopie dan wel gevreesde dystopie is; het land is begonnen met de uitwerking en realisatie. Dit immense project bestaat uit de kunstmatige, vooral verticale ‘stad’ van 34 km2., die met een lengte van 170 km., een breedte van 200 m. uiteindelijk volgens plan plaats moet bieden aan 9 miljoen inwoners. Inmiddels is dit laatste cijfer naar beneden bijgesteld en zijn veel medewerkers aan het project ‘overgeplaatst’. Volgens de website is hier sprake van een ‘civilizational revolution that puts human’s first’ , draait de stad voor 100% op ‘renewable energy’ en wordt 95% van het land ‘preserved for nature’. De buitenzijden aan weerskanten spiegelen de omringende woestijn en doen het voorkomen alsof de ‘stad’ een fata morgana is; alle leven vindt plaats binnen deze vrijwel hermetische afzondering van de buitenwereld, tussen wanden van 500 meter hoog. Hier is geen sprake van een organisch groeiende stad, gebouwd en bewoond op basis van een historische context of een economische basis. Hier is geen andere perceptie dan die van de ‘overzijde’, er is geen – visueel – contact met de natuurlijke wereld buiten de hoge muren. Het impliceert dat bewoners letterlijk in een grootschalig keurslijf worden gedwongen; in een bestaan dat zich vrijwel uitsluitend afspeelt binnen de gecreëerde fysieke/artificiële kaders.
De Amerikaanse schrijver/urbanist Adam Greenfield stelde al in november 2022 met een uiters kritisch artikel in ‘Dezeen’ dat ‘all those complicit in NEOM’s design and construction are already destroyers of worlds’. Het weerhoudt wereldwijd een aantal grote architecten- en ontwerpbureau’s vooralsnog niet om te participeren. Lees verder

‘Rebuilding lives’

Most important and actual article by Achille Mbembe at E-FLUX Architecture: referring to the consequences and needs to act upon devastation and ruin where it – as always – concerns human lives and dwelling.

“In these hallucinatory times, architecture is about rebuilding lives. It is about the restoration of livelihoods and the provision of shelter for those who, having lost everything and, having been left homeless, “can be at home only in their bodies.”(..)”Architecture becomes a rubble clearance project so that the destitute will have safer shelter as they begin to rebuild their lives.”

https://www.e-flux.com/architecture/insurgent-geologies/667520/on-diminishment-i-architecture-and-the-shelter-rubble-dust-continuum 

the drawings

Uitgelicht

It is by now decades ago; after having practised technical- as well as free-drawing at Technical School and later at the Academy of Arts it quickly became a deeper search for meaning and synthesis far beyond its technological framework. In particular at the Academy my study focused on ‘Interior Architecture & Spatial Design’ which implied a close connection to architecture in general; however, to me the difference between the concepts of interior and exterior remains somewhat abstract and theoretical. Much later, when digital developments, together with actual and future changes in the – built – environment became inescapable it was once again clear to me that all three were – and will forever become – closely connected.
In 2021 I wrote a book as an attempt to describe and synthesize these related areas: architecture, dwelling and technology, with a close link to the arts: ‘Home in a Hybrid World, or to dwell in a networked environment’. (River Publ.) Between chapters I added short texts and images by other writers and artists, preceeded by a wonderful image by Antony Gormley on the front cover.
Since then in particular I also searched my archive to discover its context and history; while writing the book as well as regular articles and now the essays I noticed the similarities between the recent and the past: on many topics I had written long ago, on many topics I had already sketched and drawn long ago.
Here and now, new drawings will prevail but older work will be added, given its relevance to actual issues, questions and possible answers; but always with the aim to raise new questions. There will also be the continuing search for our ‘place on earth’, in the physical sense as well as in the abstract sense. Where ‘art’ in the strict connotation is the ‘free’ approach I will try to synthesize with architecture; while recalling Walter Gropius declaration in the ‘Bauhaus Manifesto’ back in 1919: ‘Together, let us desire, conceive and create the new structure of the future, which will embrace architecture and sculpture, painting – in one unity”.

essay nr. 4 ‘architectuurtijd’

Af en toe vraagt een eerder gedane uitspraak of vergelijking om verdere aandacht, soms omdat deze door de actualiteit een andere lading heeft gekregen, soms omdat deze als te abstract kan worden opgevat. In mijn vorige essay – nr. 3, ‘bouw, proces of objectvorming’ – stelde ik dat “Onze wijze van bouwen is als het krabben aan het oppervlak van de aarde”; om meerdere redenen wil ik daar iets dieper op ingaan. Onlangs eindigde een interessante tentoonstelling in het C.I.V.A. in Brussel: ‘Pre-architectures’; het voorwoord van de compacte catalogus stelt: ‘The idea of pre-architecture represents a state of pre- or post-historical malleability that is retroactively molded by architecture’s own historical intransience.” Anders, in mijn woorden: hoe zag, hoe ziet onze omgeving er uit voordat sprake was/is van ‘arché’, voordat sprake was/is van de interveniërende, verstorende – onbestendige – rol van de bouwende mens. Wat vormt, wat biedt de aarde voordat wij besluiten te bouwen. Wanneer wij ‘krabben’ aan de toplaag van de aardkorst beroeren wij tevens dat wat er al is, implicerend dat wij rekening zouden moeten houden met de fragiele relatie tot de ‘sense of place’, dat we moeten ontwerpen en bouwen met aandacht voor het reeds lang bestaande.
Dat is op zich niets nieuws: in 1992 ‘opende’ architect/schrijver Joost Meuwissen de tentoonstelling ‘the Skin of the Earth’ met een korte inleiding waarin hij stelde: “The Skin of the Earth is een huis, óns huis.(..) De horizon is geen natuurlijke verschijning, geen landschap maar een inwendige breuk, een snijwond tussen aarde en lucht.. Een snijwond die kan worden gehecht met draadjes, met architectuur. (..) Architectuur is een stukje aardkorst omhooggeheven, bijeengehouden en opgetild door draadjes en stalen stangen”. Lees verder