essay nr. 6
pre-fab-fantasie
‘To create, one must first question everything” – Eileen Gray.
Een steeds vaker gehoorde mening: we missen de zo noodzakelijke verbeeldingskracht, de fantasie om ons een andere wereld, met een meer sociale samenleving voor te stellen omdat we vast (willen) houden aan het gekende en het vertrouwde. Volgens sommige definities is de betekenis van het begrip ‘fantasie’ iets dat gebaseerd is op verbeeldingskracht, iets wat je bedenkt terwijl het niet bestaat. Sommige industrieën betrokken bij onze huisvesting blijven hardnekkig geloven dat een abstract gegeven – i.e. wonen – uitsluitend kan en moet worden omgezet in een harde, fysieke realiteit; kortom, dat alleen proces-innovatie voldoende gewicht in de schaal legt om het onhaalbare in tastbare werkelijkheid te vertalen. Ik doel op een belangrijk thema in de discussie rond ons woningbouw- (lees huisvestings-) vraagstuk: de moeizame economische en wellicht zelfs culturele stand van zaken m.b.t. de vraag naar, en bouw van prefab-woningen. Betrokken productie-bedrijven dreigen te bezwijken onder investeringen en kosten die niet langer in verhouding staan tot de gevraagde en gerealiseerde productstroom; halve fabrieken staan leeg, werknemers kijken werkloos toe. Dit alles terwijl de situatie vraagt om meer opties voor variabele/flexibele huisvesting, snellere procedures, minder bureaucratie en regelgeving.
De belangrijkste vraag in deze wordt echter niet gesteld, laat staan beantwoord: in hoeverre is prefab-woningbouw het antwoord, in een tijd van schaarste en de noodzaak onze huisvesting fundamenteel anders te benaderen, te ontwerpen en uit te werken.


