‘pre-fab-fantasie’

essay nr. 6

pre-fab-fantasie

‘To create, one must first question everything” – Eileen Gray.

Een steeds vaker gehoorde mening: we missen de zo noodzakelijke verbeeldingskracht, de fantasie om ons een andere wereld, met een meer sociale samenleving voor te stellen omdat we vast (willen) houden aan het gekende en het vertrouwde. Volgens sommige definities is de betekenis van het begrip ‘fantasie’ iets dat gebaseerd is op verbeeldingskracht, iets wat je bedenkt terwijl het niet bestaat. Sommige industrieën betrokken bij onze huisvesting blijven hardnekkig geloven dat een abstract gegeven – i.e. wonen – uitsluitend kan en moet worden omgezet in een harde, fysieke realiteit; kortom, dat alleen proces-innovatie voldoende gewicht in de schaal legt om het onhaalbare in tastbare werkelijkheid te vertalen. Ik doel op een belangrijk thema in de discussie rond ons woningbouw- (lees huisvestings-) vraagstuk: de moeizame economische en wellicht zelfs culturele stand van zaken m.b.t. de vraag naar, en bouw van prefab-woningen. Betrokken productie-bedrijven dreigen te bezwijken onder investeringen en kosten die niet langer in verhouding staan tot de gevraagde en gerealiseerde productstroom; halve fabrieken staan leeg, werknemers kijken werkloos toe. Dit alles terwijl de situatie vraagt om meer opties voor variabele/flexibele huisvesting, snellere procedures, minder bureaucratie en regelgeving.
De belangrijkste vraag in deze wordt echter niet gesteld, laat staan beantwoord: in hoeverre is prefab-woningbouw het antwoord, in een tijd van schaarste en de noodzaak onze huisvesting fundamenteel anders te benaderen, te ontwerpen en uit te werken.


Vaak genoemde oorzaken komen uit meerdere richtingen: van een teveel aan regels, een te lange voorbereidingstijd, te hoge kosten tot te gecompliceerde bouwvoorschriften. Kernvraag is echter of een prefab-woning een adequate vervanger is – en op de langere termijn zelfs maar kan zijn – voor de traditioneel gebouwde woning. Daarnaast: in hoeverre is een prefab-woning een ‘contradictio in terminus’, vrij vertaald een tegenstelling of wellicht zelfs een onmogelijkheid.
Al in 1976 schreef filosoof Willem Koerse, in het boek ‘omtrent wonen’ (samen met criticus/theoreticus Geert Bekaert en econoom Emiel van Broekhoven): ‘Mensen worden ondergebracht in een niet-veranderbare omgeving; dat kan inhouden dat er sprake is van:
een ontkenning van de relatie mens/omgeving, (..)
het onmogelijk w i l l e n maken van veranderingen in de mens omdat die veranderingen veel te lastig zijn en niet passen in een geprogrammeerde samenleving (..)
aantasting van de voorwaarden voor een werkelijk samenleven.’

Terwijl ik dit – 50 jaar na dato – in herinnering breng als m.i. nog altijd van toepassing zijn in Den Haag de oriënterende gesprekken afgerond om te komen tot een nieuwe regering; winnende partij D66 wil 12 nieuwe steden bouwen. Ik zal hier niet verder ingaan op noodzaak en haalbaarheid van deze wens; of er nu 2 of 12 nieuwe steden worden gebouwd; of er nu binnenstedelijk, in het groen of op het water wordt gebouwd: de vraag naar wat dan gebouwd wordt, hoe en voor wie is en blijft al decennia onverminderd belangrijk maar wordt veel minder beantwoord. Kern van het probleem is m.i. niet allereerst de regelgeving: deze is nog altijd gebaseerd en geformuleerd op het gegeven dat we ‘woningen’ bouwen. Wanneer we zouden voorzien in ‘huisvesting’ – dus het faciliteren van (diverse vormen van) wonen – en een substantieel deel van de uitwerking en realisatie, binnen gezamenlijke kaders, zouden overlaten aan (een collectief van) bewoners kan een deel van de huidige regels worden geschrapt. Daarnaast is al meermalen aangetoond dat wanneer de (woon)omgeving (mede) wordt vormgegeven door betrokken en participerende bewoners de mate van acceptatie beduidend groter is: er wordt gebouwd aan een samen-leving in plaats van de huidige – in de terminologie van opnieuw Willem Koerse – samenloze samenleving. Samenleven is een actief proces, geen passieve status.

Hier gaan ws. bij velen, professioneel betrokken bij de regelgeving en woningbouw de wenkbrauwen omhoog en de spreekwoordelijke luiken dicht. Al 50 jaar geleden stelde Geert Bekaert “(..) dat het individuele wonen nog nooit zo gemeenschappelijk gemanipuleerd is geweest als nu”. Onze woningbouw is al decennia een markt, onze woningen een verhandelbaar product waar bewoners – nu en later – niet in participeren. Habraken zei het al anders: “wij wonen niet, wij worden gehuisvest.”. Wanneer nu prefabwoningen worden ontworpen en gebouwd veranderd er vrijwel niets aan het eindresultaat: het is een kant-en-klare woning, alleen niet ‘in situ’ gebouwd maar in de fabriek, met alle technische en logistieke voordelen van dien. Zolang echter de resultante van het fabrieksmatig bouwen van woningen dezelfde is als het ter plaatse gebouwde, hetzij nieuw dan wel in bestaande (om)bouw is de ‘winst’ voor derden; niet voor de bewoner, niet voor de samenleving.
Woningen worden gebouwd voor ca. 150 jaar; tezelfdertijd woont er ruwweg elke 10 jaar een andere bewoner in, met andere eisen, wisselende voorkeuren en onuitgesproken verlangens, met een andere gezinssamenstelling, met een andere culturele bagage, enz. Vrij vertaald; elke woning – uit de fabriek of niet – is per definitie een verkeerd antwoord op een onbekende vraag. De systematiek van prefab (in)bouwen is een constructief middel om te voorzien in een duurzame, flexibele/aanpasbare woonomgeving; maar dan wel binnen een grootschaliger kader dat niet veranderd bij elke andere/volgende bewoner. In 1994 introduceerde Steward Brand – op basis van het ‘shared layers-principe‘ van architect Frank Duffy – zijn 6S model: elk van de zes lagen van een gebouw/woning kent een andere levensduur. Hoe verder naar ‘binnen’, hoe korter de ‘leeftijd’. Brand stelde – vrij vertaald – dat er niet zoiets is als een gebouw; een goed ontworpen gebouw bestaat uit lagen met elk een andere levensduur: “site, structure, skin, services, space-plan, stuff”.
‘Site’ (zie mijn eerdere essay) is de fysieke omgeving (de geo-lokatie) en deze veranderd als lokatie niet, maar is wel in beweging. ‘Stuff’, aan de andere kant betreft b.v. ons meubilair: de losse objecten in ons huis. Brand’s gedachtengoed is mede gebaseerd op de onderzoeken van ecologen en systeem-theoretici; ook in de natuur is sprake van diverse tempi van verandering en aanpassing, met elk andere uitwisseling van info/gegevens. De Belgische architect bOb van Reeth sprak in dit verband over ‘intelligente ruïnes’: “Casco en gevel noem ik de intelligente ruïne die zich leent tot het hergebruik van bestemmingen die we helemaal niet kennen. Het verandert constant.”

Zolang complete individuele huizen of appartementen het marktaanbod bepalen zijn meer collectieve en/of alternatieve vormen van wonen – binnen de huidige regelgeving – slechts een moeizaam te realiseren alternatief. Concreet; waar ligt de grens tussen het collectieve en het individuele, tot welke grens bouwen we een kader en wie vult in. Architect/Em.Prof. Thijs Asselbergs stelt het duidelijk: ‘Een oplossingsrichting is meer OPEN BOUWEN, beter na te denken over het scheiden van drager en inbouw. Daarnaast blijft keiharde sturing juist vanuit de overheid noodzakelijk om ‘woonconcepten’ om te zetten in ruimtelijke kwaliteit. “
Prefab woningbouw is en blijft gecompliceerd, precies omdat het nog altijd complete woningen betreft; dus behorend onder Brand’s ‘structure’ en ‘skin’. Wanneer echter de ‘structure’ voorziet in de buitenste ‘skin’ kan de ‘woning’ – of liever de opties die het wonen mogelijk maken – aanmerkelijk eenvoudiger en daarmee flexibeler zijn. Daarbij, of beter gezegd, daaraan voorafgaand is er met name een sociaal/cultureel aspect: door complete woningen te bouwen i.p.v. kaders wordt de bewoner(s) – nu en later – de mogelijkheden tot eigen initiatief en participatie ontnomen, zowel m.b.t. de ‘eigen’ woning als tot dat deel van de samenleving/gemeenschap waartoe deze behoort.
In het NRC van 22/23 november 2025 schrijven twee hoogleraren Vastgoedfinanciering van de Universiteit Maastricht: ‘Standaard woningen bouwen, zo komen we uit de crisis’; met de opmerking dat ‘standaardisatie geen vloek is maar een voorwaarde’. Als voorbeeld wordt – overigens niet voor het eerst – verwezen naar de auto-industrie: ‘Niemand verwacht dat elke auto uniek is. Waarom eisen we dat dan wel van woningen?’
Het antwoord heb ik – ten dele – boven gegeven: onze huizen staan ca.150 jaar en verwisselen regelmatig van bewoner, onze auto’s gaan slechts 10-15 jaar mee. In onze auto verblijven we wellicht enkele uren per dag; vanuit onze woning vertrekken we en naar onze woning keren we terug. Er is niets mis met standaardisatie, maar als dat standaard woningen oplevert wordt wellicht de ‘woningnood’ opgelost maar wordt deze tevens ingeruild voor een vorm van huisvesting die volledig voorbij gaat aan de positie/rol, betrokkenheid en participatie van bewoners en daarmee van de samenleving, nu en later. De ‘standaardwoning’ bestaat niet, de woonomgeving is geen karakterloos interieur dat probleemloos kan worden ingeruild; er is literatuur in overvloed die de waarden van onze directe (woon)omgeving benadrukt. De woning is ‘uniek’ in de zin dat het elke achtereenvolgende bewoner is/zou moeten zijn die indeling en inrichting bepaald; gebaseerd op zijn/haar wensen, eisen, verlangens en voorkeuren.
De ‘fantasie’ in deze zou zich moeten richten op de innovatieve en creatieve ruimtelijke opties die beschikbaar komen als drager en inbouw gescheiden worden, als fabrieksmatige productie wordt gericht op flexibele en duurzame systemen en producten die genoemde uniciteit kunnen vertalen.
Vrij vertaald; als wonen niet wordt vertaald naar huizen maar naar het faciliteren van de mogelijkheden tot wonen; ergo, het bieden van vrijheid. In de fraaie vraagstelling van filosoof Libert Vander Kerken, 60 jaar geleden: “(..) waarom is het wonen fundamenteel een vrijheidsbeleving, en wat heeft deze beleving met de innerlijkheid en de blijvendheid der woning te maken?”
De auteurs in NRC stellen dat het ontbreekt aan ‘bestuurlijke durf’; eens, maar dan wel de (politieke en bestuurlijke) durf die het mogelijk maakt de gevestigde (markt/financiële) structuren en procedures open te breken en deels los te laten, de burger/bewoner in staat te stellen zijn/haar woonomgeving vorm en inhoud te geven, individueel dan wel collectief, indien gewenst of nodig bijgestaan door (interieur)architecten. Ook de fantasie die daarvoor nodig is kan heel goed worden opgebracht door degenen die zo hun omgeving denken en vormgeven.


literatuur:
= Bekaert, G., B.van Reeth, E.van Broekhoven., “omtrent wonen’ , Kluwer/SESO 1976.
= https://www.nrc.nl/nieuws/2025/11/21/bouw-standaardwoningen-zo-kunnen-we-uit-de-woningcrisis-komen-a4912828
= ‘How buildings learn”, Steward Brand. Viking Books, 1994.
= https://www.kuleuven.be/thomas/page/tijdschriften/viewarticle/61896/
= L. ander Kerken, Filosofie van het wonen’. Nederlandse Boekhandel, 1965